Het in de markt zetten van HVO en HVO2 was een groot succes. Wij wilden nu doorstoten
en als bedrijf groter worden. Dit moest gebeuren met Hypothecaire Vastgoed Obligaties B.V.
(HVO). De naam was goed gekozen, licht goed in het gehoor en is makkelijk te onthouden. De opzet was om een vergunning te krijgen van de AFM. Hiervoor was het vier -ogenprincipe nodig. De Stichting moest twee bestuurders hebben en de directie van HVO moest twee directeuren hebben.
De nieuwe directeur moest iemand zijn met een academische opleiding, gericht op de financiële positie van het bedrijf. Zijn kennis van zaken moest boekhoudkundig gelijk zijn aan die van een AA Accountant. Er kwam een nieuwe directeur die aan onze eisen voldeed.
We waren lid van de Vereniging Vastgoed Fondsen (VVF) en contribuant aan tegen de Stichting Transparantie Vastgoed fondsen (STV). Deze Stichting controleerde de prospectussen.
Dat deden ze sneller goedkoper dan de AFM. Ook had de STV een zeer goede reputatie en was uiterst betrouwbaar. Als er twee instanties zijn die hetzelfde werk doen, moet er één verdwijnen en dat was de STV. Toentertijd was de STV een opstap naar een AFM vergunning.
Een AFM vergunning is geen getoetst prospectus. Het aanvragen van een AFM- vergunning was voor een relatief klein bedrijf als HVO te kostbaar vonden we en we hebben dat niet gedaan. Dit was een grote fout van ons. Wat we ons niet realiseerde was dat een vergunning van de AFM bescherming biedt tegen charlatans, zodat een corrupte curator zoals René Smink die had geen kans gekregen. Die komt dan helemaal niet in beeld.